Sinds een paar maanden is onze ex-hoofdredacteur Nicolas druk met een nieuw project: www.Tasta.be. Maar voor een leuke column maakt hij nog steeds tijd!
‘C’mon sporting!, C’mon sporting!’, zit ik voor de PC te zingen. Het 2D-poppetje Jan Polak met een schitterende pass op Lucas Biglia. Mooi gevoetbald zegt deze auteur en klapt voor zijn virtuele spelers lichtjes in de handen. Lucas ziet Nicolas Frutos vrij staan in de zestien. Mijn zangkoren worden aan banden gelegd. Frutos kopt de bal binnen in de onbeweegbare netten. Jaaaa!, schreeuw ik uit. Ik roep Frutos en klap drie maal in de handen; en nog een keer en nog een keer. Ik voel me een manager. Neen, ik bén een manager. Gaan videospelletjes zo ver dat ze je losrukken uit je realiteit?
You tell me.
Maar toch kan ik er niets aan doen. Ik weet niet wat ik er kan aan doen. Moet ik er iets aan doen?
Het lijkt er wel op, want bovenstaande passage uit Football Manager speelt zich iedere dag af. Mijn vriendin begrijpt het niet. Hoe kan een volwassen (of toch bijna) iemand reageren op een stel ‘fake’ 2D-poppetjes die een miniballetje naar elkaar schoppen en nu en dan eens scoren? Ik begrijp haar. Het moet er gewoon vreemd uitzien als je iemand ziet zingen, klappen, juichen en vloeken voor de computer. Maar toch kan ik er niets aan doen. Ik weet niet wat ik er kan aan doen. Moet ik er iets aan doen?
You tell me.
Wat ik wel weet, is het feit dat ik niet de enige ben. Een gezellig avondje Halo 3 met een vriend. We praten wat over koetjes en kalfjes, voornamelijk kalfjes, via de headset. Eens de ‘wedstrijd’ begint is het plots doodstil. Pure concentratie. Mijn maat zit van ver op mij te schieten, mijn levensbalk staat in het rood. Ik heb een shotgun in de hand en van een halve meter is één shot genoeg om mijn maat te doden. ‘What the fuck!? Dit kan écht niet!’, hoor ik mijn maat over de headset tieren. Ik lach een beetje onschuldig en begin over iets anders te praten. Geen reactie. ‘Olivier? Ben je daar?’. ‘Olivier? Ja, sorry. Ik had even mijn headset weggegooid.’ Is de grens tussen meeslependheid en agressie zo klein, dat een ontwikkelaar ervoor moet gaan zorgen dat hun game net niet meeslepend is, om mogelijke agressie tegen te gaan?
You tell me.
Ik ben een ander iemand door een videospelletje. Is dat positief of negatief? Is het een uitlaatklep of gewoon een ‘gewoonte’? Is het escapisme of surrealisme? Of hebben wij mannen gewoon dat competitieve in ons hoofd?
You tell me.